Plant van de maand - Juli 2009
Iedere maand zal ik een plant uit mijn tuin, die op dit moment opvalt, ofwel door bloemen of bladeren, kiezen. Deze plant wordt dan in detail beschreven, herkomst, standplaats,...
Dracunculus vulgaris var. creticus
De draculunculus is een geslacht uit de familie van de aronskelkachtigen (Araceae). Hoewel alle aronskelkachtigen eenzaadlobbige planten zijn, kunnen de familieleden in andere opzichten sterk van elkaar verschillen. Zoals kruiden met een wortelstok of met knollen, lianen, waterplanten en sierplanten zoals vb.: de flamingoplant kunnen tot die familie behoren.
Doch aan de groei en de bloei kan men zien dat deze tot aronskelken behoort.
De planten groeien van uit een knol waaruit pijlvormige bladeren uitkomen en de bloeiwijze uit ontspringen.
De vrouwelijke en mannelijke bloemen zelf hebben geen sierwaarde en dienen alleen als de voortplanting. Daarentegen wordt de bloeikolf omgeven door een heel groot schutblad waaruit de kolfschede uitpriemt, deze vallen wel op aan de plant. Deze bouw heeft alles te maken met de bestuiving. Vooreerst dienen er insekten aangetrokken te worden. Dit gebeurt door een geur die wij als mensen niet graag hebben, nml. een geur die doet denken aan een rottende kadaver. Dus deze plant laten groeien bij een terras of zithoek is hier zeker uit den boze. Daarentegen zijn insekten verzot op deze geur en komen er massaal op af. Ze vliegen de kolf binnen en glijden via de spekgladde kolf de bodem in. Door de haren die zich massaal bevinden bovenin de kolf kunnen ze niet meer terugkeren. Daar belanden ze bij de rijpe stampers (vrouwelijke bloemen). Daarin brengen ze noodgedwongen de nacht door. In die periode verwelken de vrouwelijke bloemen. De meeldraden (mannelijke bloemen) komen tot rijping. De stijve haren verslappen en de insekten, die beladen zijn met stuifmeel, kunnen terug uit de bloeikolf. Terwijl ze ontsnappen uit die bloemkolf komen ze in aanraking met de meeldraden en zo wordt de bloemen bevrucht. In vele gevallen bevruchten de reeds met stuifmeel beladen insekten ook nog andere vrouwelijke bloemen. Na de bevruchting komen er dan bessen.
Dit knolgewas kan tot 1 hoog worden met groene diepingesneden wit gevlekte bladeren. De kleur van het schutblad is dieppaars en aan de onderkant groen. Deze komt ver boven het gebladerde uit en de kolf is bijna zwart.
De dracunculus groeit graag op een beschaduwde plaats die vochtig en humusrijk is. In de winter dient men de knollen goed af te schermen tegen de vorst. Men kan deze knollen ook rooien en vorstvrij laten overwinteren.
De vermeerdering gebeurt door zaad of deling van de knollen.
|