Plant van de maand - November 2009


Iedere maand zal ik een plant uit mijn tuin, die op dit moment opvalt, ofwel door bloemen of bladeren, kiezen.
Deze plant wordt dan in detail beschreven, herkomst, standplaats,...


Cyclamen (Cyclaam)


De cyclaam behoort tot de familie van de sleutelbloemigen (Primulaceae). Deze plant komt oorspronkelijk uit het Middelands-Zeegebied, Nabije Oosten en in de bergstreken van Zuid- en Midden-Europa. Deze wordt vooral aangetroffen in loof- en naaldbossen op schaduwrijke plaatsen, maar ook op steenachtige bodems.
De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse woord kuklos, dat cirkel of schijf betekent. Dit verwijst duidelijk naar ronde knolvormige wortelstok van de plant. De bladeren zijn hart- of niervormig en hebben vaak fraaie tekeningen. De bloemen zijn vaak vlinderachtig van vorm en hebben al dan niet franjes. Sommige soorten geven een geur af.

De cyclaam die we best kennen is de Cyclamen persicum die we vooral binnenshuis gebruiken. Deze werd reeds in 1739 in Belgie geinporteerd van uit Griekenland , het Nabije Oosten of Tunesie. Rond de 19e eeuw werd er gekruist om verschillende kleurvarieteiten te bekomen en ook in de bloemvariaties. In 1870 werd de Cyclamen persicum ‘Giganteum’ op de markt gebracht. Deze soort heeft bloemen die dubbel zo groot zijn dan de oorspronkelijke cyclamen.


Er bestaan ook wildere soorten die buiten kunnen worden gebruikt. De soort die hier best gedijt in ons Belgisch klimaat is de Cyclamen hederifolium. Deze komt van nature voort uit het gebied van Zuid-Frankrijk, Griekenland en Turkije. Daar groeit ze meestal op kalksteenbodems. De bloemen komen van uit het hart van de knol en bloeien vooraleer de bladeren aankomen. De bladeren kunnen qua kleur en vorm nogal onderling verschillen. De bloemen zijn vaak roze met donker hart en kunnen een lichte geur afgeven.

De kamercyclaam staat liefst op een lichte plaats maar niet in volle zon. De temperatuur mag niet te hoog zijn. In een te warme plaats zal ze snel verwelken. Met water geven moet men ook voorzichtig zijn en liefst water op kamertemperatuur. Ze mag niet te vochtig staan, anders rot ze tamelijk snel en te weinig water is ook niet goed.
In de zomer staat ze best buiten onder bomen of struiken. Na de bloei kan men de knol droog laten rusten op een koele donkere plaats. Regelmatig moeten ze lichtjes vochtig worden gehouden om uitdroging te voorkomen.
In het vroege voorjaar kan men ze terug oppotten en zal ze snel terug beginnen uitlopen. Vermeerderen gebeurt door zaad. Deze wordt eerst gedroogd, daarna gepeld en terug gedroogd. Deze kan dan zowel in de zomer als in de winter worden gezaaid. De jonge plantjes staan liefst op een schaduwrijke plaats waarvan de bodem goed moet zijn gedrainneerd.
Soorten voor de tuin kunnen worden vermeerderd door de knol te delen of ook door zaad. Het zaaien gebeurt bij voorkeur in augustus op een plaats waar de temperatuur niet hoger komt dan 14° C. vooraleer er kan worden gezaaid moet het zaad eerst 24 u. worden geweekt. Na 3 weken komen de plantjes boven en dienen ze worden verspeend op een koele maar vorstvrije plaats. Na de winter kunnen ze dan worden opgepot.


Vorige maanden

September 2010

Augustus 2010
Juli 2010
Juni 2010
Mei 2010
April 2010
Maart 2010
Februari 2010
Januari 2010

December 2009
November 2009
Oktober 2009
September 2009
Augustus 2009
Juli 2009
Juni 2009
Mei 2009
April 2009
Maart 2009
Februari 2009
Januari 2009

December 2008
November 2008
Oktober 2008
September 2008
Augustus 2008
Juli 2008
Juni 2008
Mei 2008
April 2008
Maart 2008
Februari 2008
Januari 2008

December 2007

De Vrijboom © 2008